Klinisch onderzoek

Bij symptomen die op een trombose of embolie wijzen, moet onmiddellijk de hulp een arts worden ingeroepen. De arts kan een trombose of embolie vaststellen of uitsluiten.

Eerst wordt de zogenaamde klinische waarschijnlijkheid (KW) door middel van een geformaliseerde score ( bijv. scores van Wells) bepaald. Daarvoor worden gestandaardiseerde informatie uit de anamnese en het klinisch onderzoek in puntwaarden omgezet, waarvan de som de graad van waarschijnlijkheid voor het bestaan van een trombose weerspiegelt. De KW wordt in twee niveaus (hoog – laag) of ook in drie niveaus (hoog – matig – laag) ingedeeld.

Indien de waarschijnlijkheid voor het bestaan van een trombose laag is, wordt een laboratoriumtest voor uitsluiting gedaan, de zogenaamde D-dimeertest. D-dimeren zijn afbraakproducten die bij de trombusvorming en -afbraak worden gevormd en in het bloed aangetroffen worden. Indien een trombus wordt vermoed, wordt een ultrasound onderzoek (echografie) uitgevoerd, waarmee in de meeste gevallen een diagnose kan worden gesteld. Bij de zogenaamde compressie-echografie wordt de kop van de sonde op de ader gedrukt om na te gaan of de ader doorgankelijk is, of door een trombus is afgesloten (zie afbeelding hieronder.)

Röntgenonderzoek van de aders (met gebruik van contrastmiddelen, flebografie) alsook computertomografie (CT) en beeldvorming met magnetische resonantie (MRI), bieden verdere diagnosemogelijkheden.