Diepe veneuze trombose

Klik hier voor de educatieve video over diepe veneuze trombose. (nummer 3)

Veneuze trombosen

De diepliggende beenaders

De aders verzamelen het bloed uit het weefsel via kleine haarvaatjes, die in grotere bloedvaten en dan weer in grotere aders uitmonden, tot ze uiteindelijk al het bloed uit het been in de bekkenader verzamelen. Men spreekt over niveaus van de veneuze uitstroom: onderbeen, knie, bovenbeen en als laatste het bekken. Meestal treedt een trombose op in het onderbeen, om zich dan naar boven uit te breiden.

Slechts een klein deel van het bloed stroomt via oppervlakkige aders weg, het grootste deel van het bloed uit de beenspieren wordt via de zogenaamde diepe aders naar het bekken gevoerd. Men maakt dus het onderscheid tussen oppervlakkige (tromboflebitis) en diepe veneuze trombose.

Diepe veneuze trombose

Een bloedklonter die zich in een diep bloedvat van het onderbeen vormt belemmert gedeeltelijk de doorstroming van het bloed op een min of meer gemarkeerde wijze al naargelang dat er andere bloedvaten aanwezig zijn die het bloed kunnen omleiden.  Een longembolie en een post-trombotisch syndroom zijn twee mogelijke complicaties van dit fenomeen.

Welnu, het gebeurt dat de betrokken personen zich niet bewust zijn van het risico. Bijna twee derden van de patiënten met een diepe veneuse trombose, die zich meestal voordoen ter hoogte van het onderbeen, hebben geen enkel symptoom of hebben enkel lichte symptomen die de oorzaak niet doen vermoeden.  Als de trombose zich echter naar boven uitbreid is het onvermijdbaar dat er zich op een gegeven moment symptomen voordoen.  Het risico op complicaties is dan des te belangrijker daar het betrokken bloedvat en de bloedklonter groter zijn geworden.

Trombose op meerdere niveaus

Trombosen ontwikkelen zich vaak in de diepe aders van de kuitspieren. Wanneer het stolstel niet tijdig wordt ontdekt, kan het zich uitbreiden. Deze trombose kan zich zo boven het onderbeen en de knie, en over het bovenbeen tot in het bekken uitbreiden. De arts spreekt dan van een “trombose op meerdere niveaus”, met als hoogste niveau de bekkentrombose.

Vooral bij een diepe veneuze trombose van de dij of het bekken bestaat er een groot gevaar dat de prop zich van de vaatwand gaat losmaken en via de bloedstroom in de longen terechtkomt. (zie longembolie)  

 

Thrombose veineuse profonde

lien vers la page vidéo, comprenant une vidéo éducative sur la thrombose veineuse profonde.

Un caillot sanguin qui se forme dans une veine profonde de la jambe empêche partiellement le sang de circuler, de façon plus ou moins marquée selon la présence d'autres veines capables de détourner le sang. L'embolie pulmonaire et le syndrome post-thrombotique sont deux des complications possibles de ce phénomène.

Or il arrive que la personne concernée ne soit pas consciente du risque. Près des deux tiers des patients atteints de thrombose veineuse profonde, qui est principalement présente au niveau de la jambe, n'ont aucun symptôme, ou n'ont que des symptômes légers qui ne laissent pas supposer la cause. Cependant, lorsque la thrombose s'étend ensuite vers le haut, un jour ou l'autre, il est inévitable que des symptômes apparaissent. Or le risque de complications pour le patient est alors d'autant plus important que la veine touchée et que le caillot qui l'obstrue sont de grande taille.

Les vaisseaux sanguins profonds des jambes

Les vaisseaux rassemblent le sang venant des tissus via des petits vaisseaux capillaires qui aboutissent dans des vaisseaux sanguins de plus en plus grands jusqu’à ce que finalement tout le sang venant de la jambe se rassemble dans le vaisseau au niveau du bassin. On parle des niveaux du flux veineux : la jambe, le genou, la cuisse et en dernier le bassin. La plupart du temps la thrombose se développe dans la jambe en dessous du genou pour ensuite se propager vers le haut.

Seulement une petite partie du sang se déplace dans les vaisseaux superficiels, la plus grande partie du sang est conduit vers le bassin via des vaisseaux profonds.  C’est pourquoi on différencie une thrombose veineuse superficielle (thrombophlébite) et profonde.

Thrombose à plusieurs niveaux

Les thromboses se développent le plus souvent dans les vaisseaux profonds des muscles du mollet. Quand le caillot n’est pas décelé à temps il peut se propager.  Cette thrombose peut ainsi s’étendre au genou, à la cuisse et au bassin. Le médecin parle alors d’une “thrombose à plusieurs niveaux”, avec comme niveau supérieur la thrombose du bassin.

Surtout lors d’une thrombose veineuse profonde de la cuisse et du bassin il y a un grand risque que le caillot se détache de la paroi du vaisseau et se propage via le flux sanguin aux poumons. (voir embolie pulmonaire)